Het lager onderwijs en gemeenteschool te Dilbeek

Reeds in 1604 was er een school te Dilbeek, gehouden door de koster of de kapelaan. O.m. in de armenrekeningen vinden we de vermelding van zijn wedde: ‘… betaelt aenden schoolmeester een mudde coren voor een jaer gasien 1677 dus hier VI sister.’ In 1684: ‘Item moet den armen geven aen schoolmeester voor d’arme kinderen te leeren ses sisteren rogghe, maer midts den selven aen de kercke schuldigh is van huijshure, moet met den kerckmeester geliquideert worden.Als voorbeeld geven we een onkostenrekening van koster Gillaerd die tevens schoolmeester was. Het gaat hier dus enkel over het onderwijs van arme kinderen:

‘Kinderen geleert vanden harmen sedert de jaeren 1747 tot den jaer 1750 der parochie van Dilbeeck
 

1747

Inden eersten een kint dr˙ maendt en halff

0-17-1/2

1748

Item een kindt vier maent

Item twee dr˙ maenden en halff elck

1

1-15-0

1749

Item een vier maent en halff

1-2-2

1750

Item twee ieder dr˙ maent en halff

Item een vier maent

Item twee dr˙ maent

Item twee dr˙ maent

1-15

1-0

1-10

1-10

 

alles tot date deser 1750 desen 25 meert

10-10-0

10-10

gesien den leest ende namen is aldłs bevonden waerom sal Leo van campenhałt

dit billet voldoen des 22 me˙ 1750

G: Wołters pastor in Dilbeke

den inhołdt deser is m˙ voldaen actłm 22 me˙ 1750

D:F:X: Gillaer coster tot Dilbeeck

 

Over de aanstelling van Jan Coppens op 7 februari 1664 hebben we het volgende contract:

Op heden den sevensten dagh van februarii vanden jaehre dusent ses hondert ende vier entsestich, comparende heer Jacobus Biesmans, pastoier der prochie van Dielbeke, Gabriel Niclaes, meyer, William Vander Haegen, kerk meester, Joies Van Borre, schepen, Cornelis van Smissen, afgaende kerk meester, Peeter Royebaert, Joies Schoonians, Gillis Goosens ende kerk meesters, Jan De Smet huys armenmeester, present wesende ende hebben hun daer ter. … andere schepenen ende principale gem˙ntenaren der selver prochie volgens het relaes des officiers Cornelis Moenens, ter eender ende oock comparerende meester Jan Coppens, geaccompaniert met z˙nen vader Jacob Coppens die welcke eerste comparant aen merckende die noodtsaeckel˙ckh˙t om die jonckhe˙t te leeren lesen, schr˙ven, se˙feren, ende onderwe˙sen hebben den selven Jacobus aenveert voor schoolmeester, op conditie dat h˙ u˙t des incomme vanden hu˙sarmen sal iaerl˙ckx trecken ende aen hem goedt gedaen worden, ses sisters rogge. Ende soo sal den voorschreven schoolmeester gehouden ende geobligeert zijn, daer voor te leeren de arme kinderen van den arm hu˙slieden der voorschreven prochie die vanden armen haelen sonder daer voor te prettendeeren eenen besondren salaris.

Item so hebben voorschreven ieerste comparanten verhuert ende kunnen midts desen verhuert te hebben, aen den voorschreven tweeden comparant Jan Coppens, een hofstede gestaen ende gelegen aen het kerkhof. Ter eender aen het kerck straetken, ter ander aen het kercke w˙cken genoempt den Gener˙e ende aen het goedt van derfgenamen kattenbroekses, ter derde ende vierder s˙de, voor eenen term˙n van dr˙e overkommende jaeren, waer van het ieerste jaer sal inne gaen te half meert van desen iegenwoordigen iare sestien hondert vier entsestich ende vallen sal te half meert sestien hondert v˙ef entsestich. Ende dat voor de somme van ses endertich rinsguldens tsiaers jaerl˙ckx te betalen tot proff˙t ende behoef der kercke van Sinte Ambrosius Dielbeke, in consideratie ende conditie dat daer enboven den voorschreven Jan Coppens, schoolmeester, sal gehouden s˙n inde hoochmisse ende vespers te helpen singen. Welcke hiueringe h˙ tweede comparant Jan Coppens kendt aangegeven te hebben met de ieerste comparanten op conditie als voren belovende die selve en alle het gene voorschreven is in alles te voldaen verbindende s˙n selven daer voor ende se˙ne goeden op condemnatie volenter. Item comparerende Jacobus Coppens ende Jan De Smet, die welcke hun voorden voorschreven Jan Coppens stellen horgel afte cautionaris als principael verbindende et cetera alles gedaen ten daege ende jaer als vore ende hebben part˙e tot meerder versekeringhe van beder s˙den gewillichl˙ck onderteeckent ten hu˙se van Gabriel Niclaes, meyer van Nieuwen Lande van Gaesbeke.            

                                   Jacobus Biesmans, pastor

Gabriel Niclaes

Gillain van der Haegen, kerckmeester van Dilbeeck

Joos Vanden Borre

Joos Schoonjans

Cornelis Vander Smissen

Peeter Royebaert

Gillis Goossens

Jean De Smet

In tegenstelling tot wat het contract voorschrijft zou hij ook een beloning gekregen hebben die door de ouders der scholieren werd betaald.

Vanouds werd te Dilbeek de school in het huis van de onderwijzer gehouden. Tijdens de zomermaanden gingen de kinderen niet naar school. In de wintermaanden van 1816 was hun aantal 90, in 1824 waren het er 120. De gemeente bezat geen lokaal en de grond die men nodig had kostte wel 2000 guldens. De gemeente had daartoe geen middelen. De Gedeputeerde Staten hadden 100 guldens bestemd op hun begroting. Het onderwijs vond plaats in een kamer van het huis van de onderwijzer. Het schoolgeld bedroeg 30 centiemen per maand van iedere leerling. Ze kregen lezen, schrijven en cijferen. In 1829 werd de gemeente  Dilbeek gezamenlijk met Itterbeek door de regering (gouvernement) verplicht een schoollokaal op te richten. Dilbeek moest twee derde en Itterbeek een derde deel bijdragen. Er was reeds een som van 585 guldens beschikbaar, alsmede werd een som van 180 fr. in de begroting ingebracht. Alhoewel deze sommen ontoereikend waren om een betamelijk schoollokaal te bouwen, was dit toch genoeg  voor de aankoop van hout en steen en het oprichten van een kareelsteenoven. De bouw moest starten in de aanstaande lente van 1830. Doch in 1831 waren de werken nog niet aangevat. Dit was niet enkel te wijten aan het ontbreken van voldoende geldmiddelen. Als argument nam de gemeente de door de voorlopige regering uitgevaardigde wet op de vrijheid van onderwijs. Iedereen was vrij scholen op te richten en elk gezinshoofd vrij zijn kinderen te laten studeren of niet. School- en leerplicht bestonden nog niet. De gemeente staakte de bouw van de school. Om de schade voor de gekochte bomen en kareelstenen enigszins te compenseren wou men deze zo spoedig mogelijk verkopen. Het schoolpact van 1836 verplichte elke gemeente tot het inrichten van haar gemeentelijk onderwijs. In 1837 besliste de gemeenteraad het bouwen van een gemeentehuis- en school met woonst voor de onderwijzer. Men koos als locatie een stuk grond van 10 are dat toebehoorde aan het kerkfabriek rechtover de pastorij. Volgens de akte van 13 juni 1838 schonk het kerkfabriek het perceel in erfpacht aan de gemeente voor de duur van 90 jaren. In augustus 1838 was men met de bouw bezig. Het was noodzakelijk de gemeentepenningen te lichten berustende in de spaarkas te Brussel, bedragende 2500 fr. Het bestond uit twee delen: 2000 fr. gestort op 29 december 1837 van de subsidie op het provinciaal fonds, anderzijds 500 fr. uit de overschot van de inkomsten, gestort op 16 mei 1838.  Uit de kas van de Berg van Barmhartigheid lichtte men 380,95 fr. aldaar gestort: 1e op 27 februari 1827 (150 guldens = 317,46 fr.) en 2e op 2 juli 1830 (30 guldens = 63,49 fr.).  In november had men nog eens 6000 fr. voor een termijn van 28 jaar geleend van het kerk- en armenbestuur. In 1839 zijn de bouwwerken voltooid.  De onderwijzer kreeg een staatsloon. Er waren 57 leerlingen (jongens en meisjes), kosteloos voor behoeftigen, betalend voor de meer begoeden. In 1846 stelde de gemeenteraad haar schoolreglement op. Het is een zeer belangrijk document dat ons toont hoe het er toen in het onderwijs aan toe ging:

Zitting van den 8n april 1846.

Tegenwoordig de heeren Verheyden Borgemeester, Plas, Janssens, Gysens, Thues Leden, Van Lierde Secretaris.

Den gemeente Raed van Dilbeek, gezien het ontwerp van schoolreglement voorgedraegen door den heer provincialen Schoolopziener, ingevolge den art. 15 der wet van 23 september 1842 heeft besloten voor de school dezer gemeente het volgende Reglement.    

hoofdstuk I

Art. 1.

Boven de kostelooze toelating der arme kinderen, volgens de bepalingen door het koninklijk besluyt van den 16 mey 1843 vastgesteld, zal het kollege van Borgemeester en schepenen, indien er in de school nog plaetzen overblyven, over dezelve voorlopig mogen beschikken ten allen tyde van het jaer, met by voorkeur die kinderen aen te nemen, welke volgens artikel 3 van bovengemeld besluyt regt hebben van het kosteloos onderwys te genieten.

Art. 2

Wanneer er na het wettelyk aennemen der arme kinderen nog vyf plaetsen in de school overblyven, zullen dezelve door betaelende leerlingen mogen vervuld worden. Den onderwyzer beslist over het aennemen dezer laetsten, behoudens beroep voor het kollege van Borgemeester en schepenen.

            Om aengenomen te worden zullen betaelende leerlingen moeten bewyzen dat zy gevacineerd geweest zijn, ofte de kinderen pokken gehad hebben.

Art. 3

De schoolgelden zyn bepaeld op eenen franc voor de eerste klasse en 65 centiemen voor de andere klassen in de maend voor alle kinderen zonder onderscheyd.

Elke aengevangen maend moet voluyt betaeld worden. Indien de leerlingen de noodige boeken en schoolbehoeften van den onderwyzer ontfangen zal hy die voor eene verhooging van veertig centiemen in in de maend mogen eysschen.

De gemeente is verpligt de noodige boeken en schoolbehoeften te voorzien van die kinderen de welke kosteloos onderwezen worden.

Aert. 4

Den gemeente onderwijzer of zyne gemagtigde is belast met het invoorderen der schoolgelden. De vervolgingen tegen de nalatige betaelers worden door de ontfanger gedaen op dezelve wyze als voor de andere soorten van ontfangsten.

            Op het eynde van ieder kwartaal zal den onderwyzer aen den ontfanger eenen naemlyst zenden der behoeftige nalatige kinderen met aenwyzing der sommen welke te betalen zyn.

Hoofdstuk II

Dagen en uren voor het werk bestemd.
Feest en speeldaegen en vacantien.

Art. 5

Er zal gedurende het geheel jaer school gehouden worden, uytgezonderd de feest en speeldagen en gedurende de vacantien.

Art. 6

De scholuren zyn bepaeld als volgt:
Van den 1e mey tot den 1e october van 9 tot 11 uren en van een tot 3 uren en geduerende de andere maenden van het jaer van 9 uren tot 12 uren en van een tot 4 uren.

Art. 7

De kinderen zullen ten minsten tien minuten voor het begin der lessen behooren in de school aenwezig te zyn.
Dezen tyd verloopen zynde zal hun den toegang der school mogen geweygerd worden.
De zindelykheid en welgemanierdheyd zyn verpligtend voor de leerlingen.

Art. 8

De feest en speeldagen zyn:

Den zondag en zaterdag namiddag; den 1sten en 2en november /Allerheyligen en Allerzielendag/.

Den 8 december /O.L.V.Ontvangenis/.

Den 16 december /verjaerdag van de geboorte des Konings[1].

Den 25 en 26 december : /Kersmis/.

Den 1en january.

Den 6 january /de dry Koningen/.

Den 2 february, Lichtemis.

Den 25 meert /O.L.V. Boodschap/.

Den hemelvaertsdag.

Den Pinkster maendag.

H. Sacraments dag.

Den 29 juny /S.S. Petrus en Paulus/.

Den 21 july verjaerdag der inhuldiging van den Koning.

Den … dag der vergaedering van de onderwyzer. De  feestdagen van den Patroon en patroonesse der gemeente.

Art. 9

get tijdstip en duer van de vacantien zyn bepaald als volgt:

            1.van den witten donderdag tot dynsdag na Paschen.
            2. van den 1en september tot 1en october.

hoofdstuk 3

Straffen en belooningen

Art. 10

Lijf of eenige hoegenoemde straffen die de kinderen kunnen ontmoedigen ofte den spot ofte verachting hunner mede Leerlingen Kunnen Verwekken Zullen niet mogen opgelegd worden.

            Worden toegelaten de volgende straffen:

1. De vermaning in het geheym of in het openbaer.

2. het plaetzen overend in het midden der school.

3. het berooven van een gedeelte ofte van het geheel der speeluren.

4. het uytsluyten van de school voor eenen schooltyd.

5. het definitief wegzenden uyt de school.

Den hoofdonderwyzer beslist wanneer een der vier eerst genoemde straffen moet opgelegd worden .

Wat het definitief wegzenden betreft, word dit voor het gemeentebestuer uytgesproken op voorslag van den hoofdonderwyzer en met goedkeuring van den Kantonaelen school opziender.

Art. 11

Den hoofd onderwyzer zal verpligt zyn een dagboek te houden, waer in hy dagelyks aenteekening zal doen van de laetkomende of afwezig leerlingen, de begane fouten en opgelegde straffen.

Art.12

Op het eynde van elke week zal den onderwyzer het goed gedrag, den vlyt en de vorderingen zyner leerlingen beloonen, met hun goede aenteekeningen uyt te deelen bestaende in gedrukte of geschreven briefjes, waer op zich slechts een aenwyzend nummero zal bevinden.
Twintig briefjes zullen tegen een ander verwisselt worden waer op den naem des Leerlings zal staen met de handteekening van de hoofd onderwyzer.

Art. 13

het school jaer eyndigd met eene prysuytdeeling. Eenen enkelen prys en accessiten worden vergund in ieder vak van onderwys, aen de leerlingen die de meeste goede aenteekeningen zullen verkregen hebben. Om reght te hebben op een accessit zal den leerling ten minsten de helft der goede aenteekeningen moeten bekomen en hebben die vereyscht worden om een prys te verdienen.

Bij het uytdeelen der pryzen zal er melding gemaekt worden van de goede aenteekeningen die de leerlingen bekomen hebben.

Art. 14

Voor de prysuytdeeling zullen er ondervraegingen mogen geschieden over de vakken die in het jaer het voorwerp van het onderwys geweest zyn. By deeze gelegenheyd galmen de leerlingen dit & stukken uyt die in het bereyk van hun verstand vallen, en met het programma van het lager onderwys in verband staen.

Art. 15

Den lyst der boeken die bestemt zyn om als pryzen uytgedeeld te worden, word aen de goed Keuring van den Borgerlyken en Geestelyken Kantonale school opziener onderworpen, elkeen voor het geen hem aengaet.

Art. 16

het Collegie van Borgemeester en schepenen bepaeld het tydstip der openbaere ondervraegingen en prysuytdeeling. Het geeft daer van kennis aen de schoolopziener van het gebied, aen den Minister.

Van den Godtsdienst die door het groote getal der leerlingen beleden word en aen de ouders de leerlingen.

            Aldus besloten in Zetting van den gemeente Raed datum als boven.

JB Janssens     J:a. Plas          J F Verheyden             A Thues          

J Van Lierde                           E. G˙sens

 

 

In 1848 werd de noodzaak opgeroepen van twee medehelpers, nl.: een ondermeester en een naaister voor de wintermaanden van november tot april. De wedde van 300 fr. aan de ondermeester werd verdeeld in 200 fr voor de ondermeester en 100 fr. voor naaister Anna Maria Tambuyzer. In 1863 werd de gemeenteschool geklasseerd in eerste categorie voor het onderwijs van 169 kinderen tegen 6 fr. per kind waarvan 507 fr. voor de ondermeester; schoolgelden van 18 betalende leerlingen tegen 7,15 fr. per leerling; jaarwedde van de onderwijzer voortaan op 700 fr., de ondermeester kreeg 550 fr. De lessen werden niet regelmatig bijgewoond gedurende de oogst en planting der aardappelen.

In 1863 werd de gemeenteschool vergroot voor de kostprijs van 2350 fr. In 1866 koopt de gemeente voor de som van 1275 fr de grond aan waarop zich het gemeentehuis en schoollokaal bevindt.

In 1867 volgt de oprichting van onderwijs voor volwassenen als proef. Hun onderwijs was kosteloos. Sommige kinderen van 7 tot 14 jaar woonden de lessen zeer onregelmatig bij. Anderen verlieten de school vroegtijdig om te helpen in de landbouw. De boeken en andere schoolbehoeften waren ten laste van de leerlingen. De onderwijzer werd betaald volgens het aantal leerlingen. Het onderwijs voor volwassenen werd dan toch ingevoerd vanaf 1 november tot 15 maart alle weekdagen, behalve donderdags van 6,5 uur ’s avonds tot 8 uur, en van 16 maart tot 31 oktober alle zondagen van 10,5 uur voormiddag tot 12 uur.

In 1880 was er sprake van een bewaarschool voor kinderen van 3 tot 6 jaar van beide geslachten, maar het werd niet doorgevoerd. In 1887 worden de lessen aangevangen met godsdienst. Ook het Frans moest worden aangeleerd. Het was een school van twee onderwijzers. Aanvankelijke graad, twee afdelingen 1e en 2e jaar; middelbare graad, een enige leergang 3e en 4e jaren verenigd; hogere graad, een enige leergang 5e en 6e jaren verenigd. In 1892 waren er herstellingen aan de gemeenteschool, waaronder de vernieuwing van het dak. De leerlingen werden in 1891 ondergebracht in de bakkerij Eylenbosch op de Marktplaats. In 1895 bouwde men een muur om de gemeenteschool. In 1902 werd een nieuw gemeentehuis gebouwd aan de Ninoofsesteenweg. Na de verhuis van de gemeentelijke administratie werd het oude gemeentehuis in 1904 omgevormd tot woonst van de onderwijzer. De geestelijken (pastoor of onderpastoor) bezochten wekelijks de gemeenteschool voor het aanleren van de catechismus.

In het vooruitzicht om 3 nieuwe klaslokalen te bouwen besliste de gemeente in 1908 om 3 percelen, gelegen sektie D nrs 46 en 49, aan te kopen van het kerkfabriek, nl.:

1.      Een perceel van 10 are 23 ca waarop het bestaande schoolgebouw zich bevindt.

2.      Een aanpalend perceel van 5 are 31 ca met 2 huizen. Na afbraak van de 2 huizen is dit perceel bestemd voor de bouw van drie nieuwe klaslokalen.

3.      Een aangrenzend perceel van 10 are, dienende als tuin voor de onderwijzer.

Het ontwerp tot de bouw van de drie klaslokalen, de renovatie van de twee bestaande klassen alsook de woonst van de onderwijzer, en de aanleg van de speelplaats tussen de twee gebouwen werd in 1910 goedgekeurd. De bestendige deputatie gaf de toelating om de gronden aan te schaffen en de verkoopakte werd verleden op 7 november 1911. In 1911 bouwde men drie nieuwe klaslokalen. De speelplaats werd pas in 1935 aangelegd. In 1916 werd  een 3e klas geopend voor de jaren 1916-1917; in 1921, instelling van 4e graad; in 1927, stichting van een 5e klas; in 1931, stichting 6e klas.

Het leerlingenaantal steeg gestaag en in 1939 besliste de gemeenteraad om in het gemeentehuis aan de Ninoofsesteenweg twee klassen in te richten. Op 14 april 1939, instelling 7e klas. Tussen 1940 en 1948 werden aanpassingswerken uitgevoerd aan de schoolgebouwen op het Marktplein. In 1947 werd elektrische verlichting geplaatst in de gemeenteschool door René De Graeve voor de prijs van 17.980 fr. De speelplaats wordt gedeeltelijk overdekt. De gemeente achtte het noodzakelijk om de toestand van de gemeentelijke jongensschool te verbeteren. Op 29 september 1949 werden gronden op het Roelandsveld aangekocht om een nieuwe lagere jongensschool op te richten en voor het aanleggen van bijhorende speel- en sportpleinen. De aanbesteding zou gebeuren via een in te richten wedstrijd, zo besluit de gemeenteraad in zitting van 30 december 1954. Ter financiering van de bouw van de gemeentelijke jongensschool, verkoopt de gemeente in 1955 een gedeelte van de gronden, gelegen op het Roelandsveld, via een openbare verkoop. Het wedstrijdreglement van de aanbesteding wordt goedgekeurd in 1961 (g.r. 24 maart 1961). Gezien de materiėle toestand van de klaslokalen in het (oud) gemeentehuis niet meer voldoet aan de voorschriften van de onderwijsinrichting, koopt de gemeente in 1964, 3 geprefabriceerde klaslokalen, te plaatsen op het Marktplein. Ondertussen worden, na uitslag van de wedstrijd, de voorlopige en de definitieve plannen in de gemeenteraden van 19 juni 1964 en van 21 mei 1965 goedgekeurd. In 1966 echter ziet de gemeente voor een gedeelte af van de plannen en wordt het bouwen van een blok afgeschaft en een andere blok teruggebracht van 12 klassen naar 10. In 1970 koopt de gemeente, wegens uitbreiding van het leerlingenaantal een geprefabriceerd schoolpaviljoen bestaande uit 2 klaslokalen, eveneens te plaatsen op het Marktplein. Op 25 november 1985 werd bij de overheid een aanvraag ingediend voor betoelaging van een nieuw- en vernieuwbouw voor Jongslag. De nieuwe school moest kaderen in de geplande dorpskernvernieuwing en het landelijk uitzicht moest bewaard blijven. Op 25 november 1986 gaf de Minister zijn principiėle instemming met het toekennen van een toelage van 60% op het geraamd bedrag. Op 30 januari 1990 werd de meeruitgave voor de renovatie en de nieuwbouw goedgekeurd. De kostprijs kwam op 65 miljoen. De werken werden aangevat in het najaar van 1990. Op 1 september 1991 startten de kinderen het schooljaar met 10 nieuwe en 3 gerenoveerde klaslokalen, en nieuwe turnzaal, een overdekte speelplaats en een vernieuwde eetzaal. Een prachtige realisatie waar heel wat mensen van gedroomd hadden en die werkelijkheid is geworden.

 

Onderwijzers

-  Johannes Hunaert, kapelaan en onderpastoor, vanaf 1625 tot 1657. ‘… heer Jan Hłnaerts voor darme kinderen te leeren …’

-  Catharina Van der Linden, schoolmeesteres tot 1663. Zij was echtgenote van smid Nicolaes Wouters.

-  Jan Coppens, ludimagister, 7 februari 1664, ‘… gegeven Jan Coppins schoolmeester voor sijne gagien … VI sister rogghe.’ ‘… betaelt aenden schoolmeester een mudde coren voor een jaer gasien 1677,dus hier VI sister.’

-  Johannes Polspoel, vanaf 1665 tot 1670,daarna opnieuw van 1670 tot 1677.

-  Simon Polspoel, 1709 (tussen 1702 en 1726).

-  Judocus Polspoel, 1728-1732.

-  Dominicus Franciscus Xaverius Gillaerd, vanaf 1733, 50, 51, 52, 57.

-  Joannes Baptista Hallemans, 1783-1788.

-  Van Rossum, vanaf 1797 tot 1799.

-  Egidius Van Molle, vanaf 1805;  had geen akte van aanneming.

-  Joannes Franciscus Van Molle, bijgenaamd ‘Jan Cies’; eerste schoolmeester van de gemeenteschool in 1839; benoemd op 23 maart 1843 op een geheime stemming met meerderheid der stemmen. Op 1 februari 1840 was hij te Anderlecht voor de benoeming van een kandidaat onderwijzer te Anderlecht. In 1845 kreeg hij 100 fr. vergoeding. In deze som zat ook 30 fr. aandeel van het bureel van weldadigheid als gevolg van het Koninklijk Besluit van 26 mei 1843.

-  Antonius Gysens, benoemd op 22 juni 1844 tot ondermeester der gemeenteschool, zonder wedde van de gemeente.

-  Joannes Martinus De Coster (De Koster). Zijn benoeming werd op 7 april 1847 behandeld maar niet gestemd. Hij verbleef bij Joannes Franciscus Van Molle voor het lezen van kerkzang en het spelen van het orgel. Op 18/19 december 1847 wordt hij toch benoemd als onder-onderwijzer. Op 20 september 1848 geeft hij zijn ontslag.

-  Petrus De Kempeneer, benoemd op 8 juni 1849 tot ondermeester. In een brief van 15 oktober 1855 vraagt hij zijn ontslag aan, de gemeente gaf haar toestemming; ontslag in 1856.

-  Pierre Francois Philips, met absolute meerderheid van stemmen benoemd op 9 november 1857, tot 25 november 1857. Doch op de zitting van 25 november werd hij niet aanvaard.

-  Francois Peeters, benoemd op 25 november 1857; in dienst als hoofdonderwijzer te Dilbeek vanaf 22 december 1857; ontslag op 8 augustus 1889. Hij had gedurende drie jaar onderwezen in een staatsschool te Lier; als hulponderwijzer in de gemeente Langdorp van 3 mei 1851, in Sint-Katelijne-Waver als hulponderwijzer van 1854 tot 1857. Hij werd met een meerderheid van stemmen aangenomen. In 1862 plaatste hij een annonce in het dagblad ‘Etoile Belge[2]’ dat zijn vrouw Amelia Catharina De Winter de plaats van hulponderwijzeres te Dilbeek aanvroeg. Zij gaf reeds enige tijd met vrucht les aan de kinderen der laagste klassen te Dilbeek (naaiwerk aan de meisjes). Haar voordracht werd ingediend bij de overheid. Haar eventuele benoeming ontbreekt echter in de registers der beraadslagingen. Op 10 februari 1887 vraagt hij het Burgerlijk Kruis 1e klasse aan. Op 8 augustus 1889 vraagt hij zijn ontslag aan na 38 jaren dienst.

-  Franciscus Josephus Mertens, benoemd op 2 mei 1857 tot ondermeester, hulponderwijzer met absolute meerderheid, eenparigheid van stemmen; was onderwijzer te Lier; ontslag op 29 januari 1860.

-  Franciscus Martinus Bossaerts, met eenparigheid van stemmen benoemd op 12 april 1860; van de Rijksnormaalschool te Lier; was onderwijzer te Lier; hoofdonderwijzer in de gemeentescholen van Schaarbeek.

-  Guillielmus Andreas Magosse, benoemd tot hulponderwijzer op 6 april 1863. Op 30 mei 1885 vraagt hij als oud-gemeenteonderwijzer een rustpensioen aan wegens ziekte.

-  Gommaire Van Duppen, benoeming tot hulponderwijzer op 15 oktober 1865, met eenparigheid van stemmen; ontslag op 15 juli 1877.

-  Joannes Albertus Peeters, benoemd tot hulponderwijzer op 12 augustus 1877; van de Staatsnormaalschool te Nijvel; ontslag op 15 november 1879.

-  Edmondus Fridolinus Peeters, benoemd tot hulponderwijzer op 9 december 1880; van de Normaalschool te Nijvel; ontslag op 7 november 1884.

-  Benjamin Jozef De Meyer, benoemd tot hulponderwijzer op 29 november 1884; van de Normaalschool te Lier, in dienst vanaf 15 december 1884; hoofdonderwijzer vanaf 19 oktober 1889[3]. Gedurende de maanden oktober en november 1896 verving hij H. Janssens als gemeentesecretaris. Hij neemt ontslag op 23 september 1926.

-  Karel Leo Mignon, benoeming tot hulponderwijzer op 3 december 1889[4]. Hij was ook landmeter, want hij vroeg op 24 maart 1893 aan de gemeente toelating om beide beroepen samen te voegen; ontslag in 1894.

-  Hendrik Joseph Albert Mignon, hulponderwijzer benoemd 15 december 1894, broer van Karel Leo; ontslag op 28 september 1902; daarna benoemd aan de gemeenteschool van Sint-Truiden.

-  Joris Hendrik Piret, van de Normaalschool van Gent; benoemd tot hulponderwijzer op 19 oktober 1902[5]; ontslag op 3 februari 1903.

-  Karel Lodewijk Verlinden, van de Normaalschool te Mechelen; benoemd tot hulponderwijzer op 3 februari 1903[6]; ontslag 11 oktober 1912.

-  Adolf Coenen, van de Normaalschool te Mechelen; benoeming tot hulponderwijzer op 30 oktober 1912[7]; onderwijzer 4e graad, hoofdonderwijzer vanaf 23 september 1926 in opvolging van Benjamin De Meyer; ontslag op 7 april 1954.

-  Julien Van Laethem, gediplomeerd aan de Normaalschool te Mechelen, benoemd op 15 december 1916 na instelling van 3e klas op 18 mei 1916; ontslag op 10 oktober 1919 en benoemd aan de gemeenteschool van Sterrebeek.

-  Evarist Hofmans, benoemd op 10 oktober 1919; studeerde te Mechelen; op 29 september 1942 tijdelijk vervanger van Adolf Coenen die sedert 21 september 1942 ziek was; ontslag op 1 september 1949.

-  Petrus Van Droogenbroeck, diploma van de Normaalschool te Ukkel 30 juli 1921; in dienst vanaf 1 november 1926; benoemd op 7 april 1954, ontslag 1 september 1961; gaf vanaf 1955 bijkomende lessen in de Franse taal voor het 7e en 8e leerjaar.

-  Gabriella Seraphina Hubertina De Meyer, benoemd op 10 augustus 1927 na instelling van een 5e klas[8]; ontslag op 24 april 1940.

-  Pierre Ernest Ravyts, diploma lager onderwijs te Brussel 30 juni 1932; in dienst vanaf 1april 1934; tot schoolhoofd (hoofdonderwijzer) benoemd op 1 september 1961; gaf bijkomende lessen in de Franse taal voor het 6e leerjaar.

-  M. Van der Taelen, op 17 november 1937 aangesteld als tijdelijk onderwijzer  in vervanging van Ernest Ravyts.

-  Petrus Josephus Schaumans, van de Normaalschool te Brussel; in dienst benoemd op 14 april 1939; gaf bijkomende lessen in de Franse taal voor het 5e leerjaar.

-  Robertus Carolus Vandendamme, voorlopig onderwijzer, aangesteld op 8 december 1939 in vervanging van Petrus Josephus Schaumans die onder de wapens werd wederopgeroepen.

-  Sophia De Leener, op 24 april 1940 aangesteld als voorlopige onderwijzeres in de gemeentejongensschool in vervanging van Petrus Josephus Schaumans.

-  Jozef Frans Antoon Van Linthoudt, vanaf 21 september 1942 tijdelijk onderwijzer in vervanging van Adolf Coenen.

-  Victor Vanderoost, vervanger van Adolf Coenen sedert 2 oktober 1942.

-  Maria Vanden Nest, interimaire onderwijzeres op 1 januari 1946 twee jaar in dienst, niet meer in dienst op 1 januari 1947.

-  Maria Catharina Johana Van Everbroeck, onderwijzeres lagere gemeenteschool; in dienst sedert 1939.

-  Jules Van Damme, vanaf 1 maart 1949 tijdelijk onderwijzer in vervanging van ziekte van juffrouw Maria Van Everbroeck.

-  Martha Segers, waarnemende onderwijzeres; op 1 juli 1947 had ze vier dienstjaren.

-  Marie Louise Vanden Heuvel, waarnemende onderwijzeres met vier dienstjaren op 1 juli 1947.

-  Frans De Becq, onderwijzer in 1948.

-  Jozef Petrus Alfred Creytens, tijdelijk onderwijzer vanaf 1 april 1949 om Maria Van Everbroeck te vervangen.

-  Francis Petrus Vetsuypens, gediplomeerd aan de Normaalschool te Brussel; vervangt vanaf 1september 1949 tijdelijk Evarist Hofmans die wegens persoonlijke aangelegenheden uit zijn ambt verwijdert is; benoemd op 22 februari 1950; gaf vanaf 1956 bijkomende lessen in de Franse taal aan het 3e leerjaar.

-  Dominicus Paulus Laurentius Claes, van de Normaalschool te Brussel; tijdelijk onderwijzer vanaf 7 januari 1951 in vervanging van Gabriella De Meyer; benoemd op 28 december 1951.

-  Ernest Van Neygen, gediplomeerd aan de Sint-Thomasnormaalschool te Brussel; benoemd op 7 april 1954; gaf vanaf 1956 Franse les aan het 4e leerjaar.

-  Jean Respilieux, benoemd tot voorlopig onderwijzer op 12 december 1961 in vervanging van Pierre Van Droogenbroeck; benoemd in vast verband op 15 december 1961.

-  Hugo Isidoor Antoon Vander Borght, benoemd tot turnleraar op 28 november 1962.

-  Urbain Coppye, interimaire leerkracht benoemd op 6 september 1963 in vervanging van Jean Respilieux.

-  Herman Hugo Hendrik Muyldermans, benoemd tot onderwijzer in de gemeenteschool op 10 februari 1964; studeerde aan de Normaalschool te Brussel; diploma van 30 juni 1937.

-  Marcel Henri Leuwers, na de instelling van leergangen handenarbeid in de 4e  graad, benoemd op 10 februari 1964 als bijzondere leermeester, met een diploma van het Provinciaal Normaalsinstituut voor technisch onderwijs van Brabant.

-  Georges Meert, aangesteld op 13 november 1964 als interimaire onderwijzer in vervanging van Urbain Coppye die zijn legerdienst vervulde; diploma lager onderwijs van Brussel 26 juni 1964.

-  Jean Robert Trappeniers, interimaire onderwijzer vanaf 9 december 1964.

-  Alex vandervust, waarnemend onderwijzer in vervanging van Francis Vetsuypens vanwege ziekte.

-  Jan Van Isterdael, voorlopig onderwijzer 1965.

Naaimeesteressen

Op de zitting van de gemeenteraad van 2 september 1871 werd de inrichting van een werkkamer voor meisjes als naaldwerksters in de gemeenteschool besproken. Ze bevatte breiwerk, naaiwerk, snijden der kledingstukken, steelwerk, stoppen en mazen, vanaf 1 oktober tweemaal per week: ’s maandags van 1 tot 3 uur ’s namiddags, donderdags van 1,5 tot 3,5 uur ’s namiddags.

-  Juffrouw Anna Maria Tambuyzer, naaister werkmeesteresse; vanaf 1848 tot 1874; geen diploma.

-  Juffrouw Isabella Petronilla De Ridder, naaimeesteresse, benoeming op 23 mei 1874; ontslag op 9 december 1880; geen diploma.

-  Juffrouw Joanna Catharina Van Linthout, benoeming op 9 december 1880 tot 1883; geen diploma; kon echter niet worden aangenomen omdat ze van haar zuster een kind in opvoeding had dat de vrije school van Itterbeek bijwoonde.

-  Juffrouw Mathilda Jacobs, naaimeesteres; benoemd op 21 september 1885; ontslag 23 oktober 1893 als vrouw De Broe.

Jaarwedde onderwijzer, hulponderwijzer en naaimeesteres vanaf 1845

jaar

onderwijzer

hulponderwijzer

naaimeesteres

1845

100 fr.

 

 

1848

200 fr.

200 fr.

100 fr.

1851

250 fr.

 

 

1852

230 fr.

 

 

1853

230 fr.

 

 

1854

250 fr.

 

 

1855

250 fr.

 

 

1856

250 fr.

 

 

1857

250 fr.

 

 

1858

300 fr.

 

 

1859

300 fr.

500 fr.

 

1860

300 fr.

 

 

1861

300 fr.

 

 

1862

300 fr.

 

 

1863

300 fr.

 

 

1864

300 fr.

 

 


 

Jaar

Gemeenteinkomsten van en uitgaven voor het onderwijs

1848

1050 fr.

1050 fr.

1851

2635 fr.

2576,87 fr.

1852

1129 fr.

1129 fr.

We kunnen hieruit afleiden dat gemeente haar uitgaven voor het onderwijs bepaalde aan de hand van de inkomsten.

Bronnen

-  Parochieregisters van Dilbeek.

-  Kerkarchief Sint-Ambrosiusparochie Dilbeek, armenrekeningen 1658, 1670, 1673, 1675, 1676, 1677; maenboeck 1684; nr. 33779, nr. 33646.

-  Gemeentearchief Dilbeek.

-  Beraadslagingen der gemeenteraad van Dilbeek.

-  G. Van den Berghe, Anderlecht door de tijden heen, heruitgave door het gemeentebestuur van Anderlecht 1987.

-  t Jongverslag, extra editie Schoolkrant Gemeentelijke Bassischool Jongslag, mei 1999.

-  Eigen Schoon en De Brabander, Dilbeekse kosters, LXXXIX ste jg. 2006 en 92ste jg., nr. 4.

-  www.jongslag.be

-  Foto’s eigen archief.


 

Kopie  van Foto onderwijzer Karel Mignon Jongensschool Korbeek-Dijle 1902 - kopie.JPG
Hulponderwijzer Karel Mignon

Hendrik Mignon 001.jpg
Hulponderwijzer Hendrik Mignon

 

 

Meester De Meyer 001.jpg
De Hoogste klas met meester De Meyer in 1906.

 

http://www.jongslag.be/uploads/pics/achterkant_01.jpghttp://www.jongslag.be/uploads/pics/marktplein_01.jpg

De huidige gemeenteschool Jongslag.


 

[1] Nadien in potlood bijgeschreven de tekst: 15 november (dank)dag van den koning Leopold II.

[2]l’ Etoile Belge was aanvankelijk een liberale en geen regeringskrant, doch bleef minder progressief dan ‘l’ Independance Belge’. Na 1873 werd het een katholieke krant.

[3] De andere kandidaten waren Franciscus Wilhelmus Verhasselt en Léonce Slagmulder.

[4] De andere kandidaat was Jozef Antoon Gustaaf Boelpaep.

[5] De andere kandidaat was Victor Vermeyen.

[6] De andere kandidaten waren Aloysius Cornelius Jozef Rombouts en Frans Scheltens.

[7] De andere kandidaat was Charles De Jonghe.

[8] De andere kandidaat was Germaine Marie Eulalie Cornelie Galle.